Ik kon toen niet koken. Mijn schoonmoeder kookte en ik stond te kijken als zij kookte. Ik was nog een kind. Zij begreep dat en zij accepteerde dat. Ik voelde me bij hun niet echt thuis. Ik moest hard werken en rijst stampen (nutu).
Op gegeven moment heb ik wel leren koken. Als je geen honger wilt lijden, leer je het vanzelf. Ik kookte eerst op hout met een gietijzeren pan op drie poten. Thee kookte ik met een oude boterblik. Ik kookte beton; dat zijn de pitten van de nangka (een vrucht). Ik liet ze drogen, pelde ze en maakte het klaar met iwak garing (gerookte vis, droog en hard). Het smaakte net als bruine bonen.
Wij hadden niet veel geld vroeger. Ons inkomen was klein en wij aten veel batjauw (gezouten kabeljauw), eling (gezouten haring) en boku (gerookte, gezouten bokking). Dat kon je al voor een dubbeltje (10 cent) kopen. Verse vis en kip hadden wij zelf. Wij kweekten kippen op het erf, ze konden vrij rondlopen.





